Ideologie en rassenleer

Filosofie, antroposofie en eugenetica, door een anonieme kameraad van B&H RVF

De filosoof Carl Gustav Carus presenteerde bij de honderdste geboortedag van Goethe een geschrift waarin hij een indeling maakte van dag- en nachtvolkeren, waarbij rassen aan bepaalde hemellichamen werden gekoppeld. Zijn antropologie was gebaseerd op de stand van de zon ten opzichte van de aarde, waarvan de lichtval zorgt voor dag, nacht en schemering. De blonde Ariër zag Carus als het zonneras, de schepper van alle cultuur. Met de zon als symbool van de allerhoogste spiritualiteit, vond hij ook een verband met het oude Germaanse zonnewendefeest. De Ariër zou worden gekenmerkt door intellectuele rijkdom, veelzijdigheid en een sterk individualiteitsprincipe.

Astroloog George Lomer stichtte de Arische Zonnekerk, die een metafysische rassenleer hanteerde. In zijn brochure "Wir und die Juden im Lichte der Astrologie" (1928) beschreef hij de Ariër als een scheppende kracht verbonden met de zon, terwijl hij de joden slechts in het licht van de maan plaatste. Aangezien de maan een parasitair hemellichaam is dat op de uitstraling van de zon parasiteert, zo zou de jood op de scheppingskracht van de Ariër parasiteren.

Rudolf Steiner ontwikkelde, geïnspireerd door Carus, ook een metafysische rassenleer waarin hij dezelfde antroposofische indeling gebruikte. Op basis van deze indeling classificeerde hij rassen, die hij koppelde aan schedelvormen. Hij beschouwde de joden als een maanvolk en de Indianen als een Saturnusras. In "De Volkszielen" beschreef hij drie basistypen schedels: de blanke, de zwarte en de gele schedel. Schedels met geprononceerde middenhersenen kwamen voor bij het gele ras, dat dromen en het innerlijke leven stimuleert. Schedels met een sterke ontwikkeling van het achterste gedeelte, gepaard met gevoelsleven en drift, werden toegeschreven aan het zwarte ras. De blanke, Kaukasische schedel, het superieure ras, had een krachtig ontwikkeld voorste gedeelte. Steiner suggereerde verder dat het superieure ras zich incarneerde in andere rassen en dat de volks- en bloedsidealen van de NS in de weg zouden staan van het superieure ras om zijn uiteindelijke lotsbestemming te bereiken. In 1935 werd een halt toegeroepen aan de sektarische leerstellingen op het gebied van antroposofie, en Hitler verbood de Antroposofische Vereniging. De Nederlandse anatoom Peter Camper besloot dat negers de missende schakel waren tussen mens en aap in de keten van de schepping. Hij mat de schedels van apen en negers op en vergeleek deze met elkaar. Een verticale lijn vanaf de bovenlip tot het voorhoofd en een horizontale lijn vanaf de neus door het gezicht bepaalden de ideale mens. Als de hoek gecreëerd door deze lijnen 100 graden was, was de persoon ideaal. Camper constateerde dat de meeste Europeanen rond de 97 graden zaten, terwijl de neger minder dan 70 graden bereikte en daardoor als niet-menselijk werd beschouwd. Johann Kasper Lavater trok vergelijkbare conclusies over het joodse volk.

Guido (Karl Anton) von List (1848-1919) was de oprichter van de Germanenorde, die het hakenkruis als symbool droeg. Hij combineerde nationalistische ideeën over het herstel van het Heilige Roomse Rijk met antisemitische elementen, en ideeën over een Arisch lichtvolk en de Übermensch. Hij combineerde dit met antiek hindoeïsme, aristocratenverering, natuuraanbidding, Tacitus' beschrijvingen van een blond en blauwogig natuurvolk en de mystieke invloed van christelijke relikwieën op de geschiedenis. Door het publiceren van een historische roman in 1881 genaamd "Carnuntum", over de culturele strijd tussen Duitse bewoners en Romeinen in de 4e eeuw, verwierf Von List roem in de pan-Germaanse gemeenschap. Hij was ervan overtuigd dat het Duitse volk erfgenaam was van Blavatsky’s Arische ras.

Lanz von Liebenfels (Adolf Josef Lanz, 1874-1954) was een leerling van Guido von List en volgde hem na zijn dood in 1919 op. Georg Lanz, de grondlegger van de ariosofie, was kortstondig monnik in het Stift Heiligenkreuz, een cisterciënzerabdij. Na zijn uittreden schreef hij drie antiklerikale boeken en "Theozoölogie oder die Kunde von den Sodoms-Äfflingen und dem Götter-Elektron" (1905). Volgens hem bestonden er twee rassen: het blonde en blauwogige "Arische" ras en een groep van 'donkere' rassen. Dit lichte en donkere ras stonden voor goed en kwaad, die onverbiddelijk met elkaar in strijd waren. Hij geloofde dat de oorspronkelijke roeping van de katholieke kerk was geweest om de rassenreinheid te behoeden. De mensen stamden volgens hem van de goden, maar door de zonde van Eva ontstond een ondersoort van diermensen, 'apelingen', die uitgeroeid moesten worden.

Lanz richtte het tijdschrift 'Ostara' op, waarin hij zijn ideeën verspreidde. In deze gnostische rassenleer omschreef hij de Ariërs als een lichtras en de inferieuren als een materieras. Von Liebenfels was de architect van een ariosofische variant, de theozoölogie, die verkondigde dat niet-Ariërs, zoals joden, het product waren van seksueel contact tussen oer-Ariërs en dieren – enigszins gebaseerd op Blavatsky’s melding van de Lemuriaanse escapades. Deze niet-Ariërs waren volgens hem slechts half-mensen.

In 1796 publiceerde de Engelse politieke econoom en historicus Thomas Robert Malthus een boek genaamd "An Essay on the Principle of Population". Hierin verklaarde hij dat armoede onvermijdelijk was doordat de bevolkingsgroei altijd de voedselproductie zou overtreffen. Alleen oorlogen, ziektes en hongersnood zouden de groeiende bevolking kunnen inkrimpen of stabiliseren. Na Malthus kwam Charles Darwin met zijn theorie in "The Origin of Species", waarin hij de ontwikkeling van levensvormen als een strijd om het bestaan uitlegde. Het resultaat van deze strijd was natuurlijke selectie, waarbij de superieure, sterkere rassen de zwakkere rassen zouden overwinnen, waardoor deze uiteindelijk zouden verdwijnen. De psycholoog en halve neef van Darwin, Sir Francis Galton, verbreedde Darwin’s theorie door een idee van maatschappelijke tussenkomst toe te voegen, waarvan hij zei dat het een logische toepassing was voor de evolutie van het menselijke ras. Deze theorie noemde hij eugenetica. In dezelfde tijd publiceerde Joseph Arthur, graaf Gobineau (1816-1882), zijn werk "Essai sur l’inégalité des races humaines" (1853), waarin hij de superioriteit van de Noordse rassen betoogde, maar tegelijk hun ondergang door onafwendbare rassenvermenging voorspelde.

Ook Houston Stewart Chamberlain (1855-1927) profeteerde dat er een Arisch superras zou ontstaan, hoewel dit nog niet het geval was. Chamberlain bestudeerde de werken van Goethe, Fichte, Hegel, Nietzsche en Richard Wagner. Hij ontmoette Wagner in 1882, die bijna onmiddellijk een grote invloed op zijn leven had. In 1899 publiceerde Chamberlain zijn meest invloedrijke werk, "The Foundations of the Nineteenth Century". Het boek werd zo goed ontvangen dat hij direct een beroemdheid werd. Centraal in dit boek stond het idee dat de westerse beschaving haar superioriteit op moreel, cultureel, wetenschappelijk en technisch gebied vooral te danken had aan de invloed van het Germaanse ras, waartoe Chamberlain royaal het Keltische en Slavische rekende. Andere rassen, vooral het joodse, zouden voornamelijk als storende factor optreden. Om deze reden wordt het boek als antisemitisch gezien, maar het is meer dan dat: Chamberlain verzette zich tegen elk cultureel, religieus of politiek systeem met globalistische intenties, zoals de Jezuitenorde, kapitalisme, socialisme, enz.

Nu heeft u een kijkje gekregen in de ingrediënten die uiteindelijk zorgden voor het bewustzijn van de superioriteit van het Arische ras. De theorie over het licht- en dagvolk bracht tijdens de Tweede Wereldoorlog een ware zonnecultus voort. Het verbinden van rassen met hemellichamen is met Blavatsky’s wortelrassenleer nauwelijks onwaarschijnlijk te noemen. Ik zou gerust zeggen: wetenschap. De indeling van schedels zoals genoemd door Carus en Steiner zijn zelfs feiten. De huidige officiële ‘wetenschap’ vertelt ons dat er geen rassen bestaan, en dat elke indeling op basis van biologische kenmerken willekeurig is.

Degeneratie
Het is echter een feit, gestaafd door vele hoogstaande filosofen (Darwin) en theologen door de eeuwen heen, dat er een superieur ras bestaat en inferieure rassen. Het vermengen van deze rassen zorgt voor ontbinding, degeneratie, verlies van identiteit en, bij het Arische ras, verlies van intellect. Als dit scheppende ras ten onder gaat door rassenvermenging, zal uiteindelijk ook de wereld ten onder gaan. Misschien krijgt de wetenschap dan alsnog gelijk met betrekking tot de mens als afstammeling van de aap. Als degeneratie voortwoedt, zal de mens niet langer bekend staan als geëvolueerd uit een mensaap, maar als ten onder gegaan als een mensaap. Dit wetenschappelijke feit, dat er wel degelijk een superieur en een inferieur ras bestaat, past echter niet in de huidige tolerante maatschappij waarin iedereen gelijk wordt gesteld. Een van de eerste wetten in een intellectueel Vierde Rijk zou de raciale wet moeten zijn. Wetenschap en waarheid mogen niet langer terzijde worden geschoven. Dat hierbij de inferieure rassen de dupe worden, is nu eenmaal niet anders. De nationaalsocialistische beweging pleit niet voor uitroeiing van rassen, maar voor terugplaatsing naar hun eigen land om rassenvermenging en degeneratie te voorkomen.

Vele geschriften zijn zeer invloedrijk geweest voor de uiteindelijke religie, omdat ze allemaal de erkenning van één superieur ras benadrukken. Het belang van het behoud van het ras omwille van het bestaan van de mensheid wordt benadrukt, en de gevolgen van rassenvermenging worden uiteengezet.

In de dierenwereld is het vermengen van rassen dat de kwaliteit vermindert een feit. In de mensenwereld is dit door vele wetenschappers aangetoond, zelfs de leek constateert dit in de praktijk. Toch wordt deze waarheid niet gehandhaafd. Op 27 januari 2002 lezen we in het Nederlands Dagblad een artikel waarin een wetenschappelijk onderzoeker, Boudewijn Heuts, zijn steun betuigt in een brief gericht aan mevrouw Rost van Tonningen, weduwe van een NSB-voorman. In zijn brief verklaart hij: “Zeldzame mensenrassen zouden in stand gehouden moeten worden door ervoor te zorgen dat een deel zich niet vermengt met andere rassen” en “het wordt hoog tijd dat dit taboe op het uiten van ‘racistische’ (in feite normale biologische) ideeën wordt doorbroken (zoals in de vorige eeuw veel seksuele taboes zijn doorbroken)”. Deze dierenecoloog, werkzaam bij een instituut van de Universiteit van Amsterdam, zet zijn baan op het spel door zijn wetenschappelijk gefundeerde stellingen openlijk te uiten. De media bestempelt de oprechte wetenschapper als een racist, en daarmee is het einde verhaal.

Rassenvermenging is een dreigend gevaar dat momenteel zijn hoogtepunt in Nederland bereikt heeft. Dat het vermengen van rassen niet alleen morele en mentale zwaktes maar ook ziektes met zich meebrengt, wordt genegeerd. Als dit generatie op generatie doorgaat, ontstaat er degeneratie. Voor meer informatie verwijs ik u naar Sir Francis Galton, de grondlegger van de eugenetica. De oplossing volgens de eugenetica-beweging was wettelijke controle op menselijke voortplanting. De lagere klassen kregen (en krijgen nog steeds) meer kinderen. Het diende gestimuleerd te worden dat de sterke, sociale en edele leden van de gemeenschap juist meer kinderen kregen. In Duitsland bracht Hitler de eugenetica in praktijk middels wetten. In "Mein Kampf" schrijft hij: “de staat moet optreden als bewaker van een duizendjarige toekomst, waarbij de wensen van het egoïstische individu niet belangrijk zijn”.

Het definiëren van rassen wordt tot op de dag van vandaag als negatief gezien en veroorzaakt kwaad bloed. In de dierenwereld heeft men echter het tegenovergestelde denkbeeld, wat u kunt verifiëren bij een kynoloog. De blanke man is de schepper van de civilisatie. Alle rassen bezitten bepaalde eigenschappen, en een blank ras heeft geen baat bij het verkrijgen van eigenschappen van inferieure volkeren. Alleen andersom is er winst te behalen, terwijl de blanke daardoor alleen achteruitgang boekt.

  • Terug naar artikelen