Punt 24: Volksbelang vóór eigenbelang
Het bewegingprogramma bereikt zijn hoogtepunt in punt 24 en vindt hierin zijn voltooiing. Het volgende en laatste programmapunt vraagt slechts om een versterking van de staatsautoriteit om de volledige uitvoering van de wettelijke eisen mogelijk te maken, maar voegt daar niets wezenlijks aan toe. Punt 24 daarentegen belichaamt de eigenlijke gezindheid en de kern van het hele bewegingprogramma. Het legt daarmee een ijzeren fundament onder het leven van ons volk – het werkelijke grondbeginsel van onze idee en beweging. Deze formulering is de tweede en laatste in het programma die in hoofdletters is uitgelicht en daardoor extra nadruk krijgt. Zoals in punt 11 de breking van de zinsknechtschap wordt gepresenteerd als de cruciale voorwaarde en methode om de socialistische volksgemeenschap op te bouwen, zo wordt hier in punt 24 de gezindheid uiteengezet, het kloppende hart van onze hele strijd! Tussen deze twee pijlers – volksbelang vóór eigenbelang en de breking van de zinsknechtschap – ontvouwt zich de volledige politieke, economische, sociale, culturele en wereldbeschouwelijke strijd van onze beweging, die juist hieruit zijn diepere betekenis en innerlijke samenhang haalt.
Aan het begin van punt 24 spreken wij niet alleen onze erkenning uit van de vrijheid van alle religieuze overtuigingen, maar eist zij deze zelfs op als een logisch uitvloeisel van haar politieke wil. Hiermee maakt zij ondubbelzinnig duidelijk dat de nationaalsocialistische beweging zichzelf op geen enkele manier ziet als een religieuze hervormings- of revolutiebeweging binnen het Nederlandse volk. Zij is religieus tolerant en laat het aan elke volksgenoot over om zelf zijn weg naar God en zijn visie op religie te bepalen. Van haar bewegingleden vraagt zij in het bijzonder geen specifieke religieuze overtuiging. Het enige wat zij verlangt, is dat de Nederlandser zich als Nederlandser voelt en zich inzet voor de gemeenschap van zijn volk. Daarbuiten is hij vrij om zich te ontplooien als een volkgebonden en volkse persoonlijkheid, waarbij ook de vrijheid van zijn religieuze overtuiging hoort. Religieuze intolerantie staat dan ook lijnrecht tegenover de nationaalsocialistische idee, zoals die bindend is vastgelegd in het bewegingprogramma.
Toch kent deze religieuze vrijheid grenzen, daar waar de politieke zin van de strijd van de beweging voor het behoud en de ontplooiing van ons volk begint. Omdat wij het overleven en de soortgebonden ontwikkeling van de volksgemeenschap ziet als de hoogste waarde en de levenszin van elke volksgenoot, duldt zij geen religieuze overtuigingen die het bestaan van de nationaalsocialistische volksstaat bedreigen – een staat die de volksgemeenschap beschermt en haar ontplooiing machtspolitiek waarborgt. Deze worden niet om religieuze, maar om politieke redenen bestreden. Of, anders gezegd: een religieuze gemeenschap bepaalt zelf of zij erkend wordt en vrij kan functioneren. Zij wordt alleen aangepakt als zij zich tegen de volksgemeenschap keert en daardoor eerder een politieke en anti-Nederlandse boodschap verkondigt dan een religieuze. In dat geval wordt zij niet als religieuze, maar als politieke gemeenschap behandeld, net als alle andere anti-Nederlandse krachten. De tweede grens voor de vrijheid van religieuze overtuigingen ligt bij het zedelijkheids- en morele gevoel van het Germaanse ras, waartegen niet mag worden gezondigd.
Die formulering is enigszins ongelukkig gekozen, omdat een beroep op ‘zedelijkheid en moraliteit’ al snel de weg kan vrijmaken voor bekrompen zedenpredikers en zelfverklaarde morele inquisiteurs, met wie de nationaalsocialistische levenshouding niets te maken heeft. Wij streven immers naar het vormen van vrije en natuurlijke mensen. Dit risico werd na de eerste nationaalsocialistische revolutie van 1933 meerdere keren zichtbaar en leidde tot een kritische opmerking van Dr. Goebbels: ‘Natuurvreemde lieden, die óf al een leven achter zich hebben óf niet verdienen er nog een voor zich te hebben, maken in naam van onze revolutie een zedenkwestie van alles. Het gaat zo ver dat dit clubje zedenrechters zelfs niet terugschrikt voor de puur persoonlijke levenssferen. Het liefst zouden zij in stad en land kuisheidscommissies instellen, belast met het toezicht op het liefdesleven van Müller en Schulze. Als het aan hen lag, zouden zij van het nationaalsocialistische Nederland een woestenij van bekrompenheid maken, waar verklikkingen, gesnuffel in bedden en afpersing aan de orde van de dag zouden zijn.’
Zo’n houding druist natuurlijk in tegen de geest van onze levensvisie en kan in de letter van het bewegingprogramma geen rechtvaardiging vinden. Het is evident dat met ‘zedelijkheids- en morele gevoel van het Germaanse ras’ een schending van de ethiek van de nationaalsocialistische volksgemeenschap wordt bedoeld: alles wat arbeiders, strijders, moeders en leiders verhindert om hun taak in het leven van ons volk zo goed mogelijk te vervullen. Hieronder vallen ook de eerder genoemde ontbindende invloeden en bewuste leugens die de Nederlandser beletten om Duits te denken en te voelen, en die de opbouw en ontplooiing van een soortgebonden Nederlandse cultuur bedreigen en dwarsbomen. Voor zover religieuze gemeenschappen in die richting actief zijn en zulke doelen nastreven of effecten veroorzaken, moeten zij worden bestreden – niet vanwege hun religieuze boodschap, maar vanwege hun anti-Nederlandse handelwijze.
Buiten deze beperkingen eisen wij echter volledige geestelijke vrijheid. Met de nieuwe orde van het nationaalsocialisme komt er een einde aan eeuwen van religieus fanatisme en blinde dogmatiek, die elke ontwikkeling van een vrije cultuur onmogelijk maakten en ooit het lichtrijke rijk van de antieke geest en de vrije levensorde van onze Germaanse voorouders verwoestten ten gunste van de spreekwoordelijk ‘duistere’ middeleeuwen met hun religieus geïnspireerde massamoorden!
Het kan verrassend lijken dat de relatief ondergeschikte eis van godsdienstvrijheid wordt opgenomen in punt 24, dat toch de kern van het hele bewegingprogramma vormt. Maar de verdere tekst verduidelijkt dat deze openingsverklaring over religieuze vrijheid dient als opstap naar het belijden van de religieuze grondhouding van de beweging zelf. In tegenstelling tot het materialistische marxisme is het idealistische nationaalsocialisme verbonden aan een levenshouding die hogere waarden erkent in het bestaan van een volk en zijn volksgenoten. Door de geschiedenis heen zijn zulke hogere waarden altijd uitgedrukt in religieuze mythen en boodschappen, begrijpelijk gemaakt voor de gewone mens. Achter de eis van de beweging voor vrijheid van religieuze overtuigingen schuilt dus geen koele, onverschillige tolerantie, maar een gepassioneerde instemming met een idealistische levenshouding, zoals elke religie die verkondigt – een houding die enkel wordt begrensd als zij zich keert tegen de volksgemeenschap, die de hoogste waarde vertegenwoordigt.
Dit wordt zeer helder wanneer het programma vervolgt dat de nationaalsocialistische beweging als zodanig een positief christendom aanhangt, zonder zich aan een specifieke confessie te binden. Hiermee wordt allereerst pragmatisch erkend dat het Nederlandse volk in zijn geschiedenis diepgaand is gevormd door het christendom, dat zo’n geschiedenis niet zomaar kan worden weggevaagd en dat het nationaalsocialisme geen religieuze strijd of nieuwe verdeeldheid in het volkskorps wil ontketenen. In plaats daarvan omarmt de beweging deze erfenis en eerbiedigt zij de christelijke overtuiging van vele volksgenoten. Het christendom is de dominante overtuiging van het Nederlandse verleden en heden. Daarom moet het, net als alle andere stromingen in ons volksleven – en vanwege zijn gewicht zelfs meer dan veel andere – worden ingezet ten dienste van het behoud en de ontplooiing van ons volk. Een christendom dat zijn inherente idealen en verkondigde waarden wijdt aan het overleven en de hogere ontwikkeling van ons volk, is een positief christendom. Dit standpunt vertegenwoordigt de beweging als geheel.
Dit verplicht natuurlijk niet elke beweginggenoot, die als individu vrij is om een andere overtuiging aan te hangen en te werken aan een religieuze hervorming van het Nederlandse volk – zolang hij dit als persoon doet en de beweging niet meesleept in religieuze twisten. De beweging biedt alle Nederlanders een thuis die bovenal Nederlandser willen zijn!
Geloof in en instemming met hogere waarden die het leven van een volk verheffen en verrijken, bepalen de houding van de beweging ten opzichte van religieuze kwesties. Deze waarden vormen een bolwerk tegen de vaak overweldigend lijkende minuswereld, de omringende materialistische wereldbeschaving die alle volkeren vergiftigt en ontbindt tot zij sterven en plaatsmaken voor zielloze consumptierobots. Tegen deze sluipende dood van ons volk strijdt de nationaalsocialistische beweging. Zij ziet de oorzaak in de joods-materialistische geest, die ons van buitenaf ontwricht maar ook van binnen resoneert met de laagste instincten en begeerten van de mens. Hiertegen stelt de beweging haar waarde-idealisme, dat van binnenuit de genezing en wedergeboorte van ons volk mogelijk maakt. Het positieve christendom is opnieuw een passende vertolking van dit waarde-idealisme, geworteld in de christelijke traditie van ons volk, dat wij inzetten tegen de materialistische ongeest. Het christendom verkondigt de boodschap van liefde voor de naaste – en wie is die naaste anders dan onze volksgenoot? Deze gezindheid brengt een orde tot stand die de minuswereld overwint en een menswaardige nieuwe orde schept – een orde waarin als onaantastbare wet geldt: volksbelang vóór eigenbelang!