Tot welk ras behoorden de farao's?

Bespreking van: Race in Ancient Egypt & the Old Testament, Scott-Townsend Publishers, 1993, auteurs: A.A. Sayce & R. Peterson. PB 34070, Washington, DC 20043, USA.
Door Armin Müller

In deze tijden van cultuurrelativisme (waar enkel de inbreng van het blanke ras betwist en neergehaald wordt), wordt er een zeer eenzijdige antropologische kijk aangeboden in de media en de scholen. Zo kijkt de gemiddelde ecologisch gezinde student (verkeerdelijk) eerder op naar de Indianen als natuurvolk en kijkt hij neer op de Germanen, die hij (wederom verkeerdelijk) als “ruw” ervaart. Dat die lieve Indiaantjes als boegbeeld van een hele generatie in feite kinderdodende verkrachters waren zonder enig besef voor natuurlijk evenwicht, wordt liever niet aangehaald. Dat deze Indianen de natuur méér kwaad aandeden met hun tribale maatschappij dan de huidige industriële 21e-eeuwse maatschappij, wordt eveneens verzwegen.

Een ander politiek-correct, maar wederom historisch onjuist feit is het Afrocentrisch gerichte praatje dat de oude Egyptenaren zwart zouden zijn geweest. Een ras zonder enige creatieve inbreng in de wereldgeschiedenis is onmogelijk volgens de post-marxistische historici. “Allemaal de schuld van de onderdrukkende blanke geschiedenisboeken,” redeneerden ze. Toen in 1990 zogenaamde zwarte ‘academici’ in de VS ophef maakten in hun toespraken over deze claim, reageerde de columnist John Leo (van US News & World Report). Hij telefoneerde zeven prominente Egyptologen over de hele wereld om nu eens een mening van een expert te vragen. Aan de telefoon verklaarden ze allemaal eensluidend dat zowel de farao’s als het gewone volk zeker niet negroïde waren. Opvallend durfde geen enkele van hen het aan om hierop geciteerd te worden. Volgens de uitleg die ze gaven, lag de kwestie gewoon “politiek te gevoelig”. Ze wezen erop dat wetenschappers nu eenmaal problemen kunnen krijgen als ze weigeren de belachelijkste onzin te aanvaarden, eens deze door een voornaam en groot aantal negers beaamd en toegejuicht is geworden.

Het boek Race in Ancient Egypt & the Old Testament is een wetenschappelijk en gedetailleerd werk over de raciale oorsprong van de verschillende volkeren die o.a. vermeld worden in het Oude Testament. De oorspronkelijke versie is geschreven door A.A. Sayce, maar werd door R. Peterson aangevuld en geactualiseerd met de recentste ontdekkingen. Het boek is dan ook een zeer sterke afrekening met de politiek-correcte mythe dat de oude Egyptenaren kaffers zouden zijn geweest. Met al de uitstekend gepreserveerde mummies en muurschilderingen is de kwestie van Egypte wel zeker de slechtste keuze voor iemand die fabeltjes wil verkopen over de raciale herkomst van cultuurdragers. Het duidelijkste ongemak voor deze geschiedenisvervalsers moet toch wel het bestaan van de mummies zijn. Het is nu eenmaal moeilijk te betwisten over de raciale situering van een lichaam dat zo goed bewaard is gebleven dat zelfs het aantal oogwimpers geteld kan worden. Zoals dit boek ook aantoont, laten visuele inspectie, antropometrische metingen en DNA-analyse geen twijfel meer bestaan dat de oude Egyptenaren (en dan vooral de hoogste kasten) van Noord- tot Mediterraan allemaal blank waren. Hoe noordelijker het rassentype, hoe hoger men aan de maatschappelijke ladder stond. Ramses II, de man die de kinderen van Israël vervolgde, is met zijn duidelijke fysionomie, dun, steil haar en typische lichaamsbouw een schoolvoorbeeld van de Arische situering van een lichaam. Naar alle waarschijnlijkheid zou hij roodharig geweest zijn.

De auteurs halen ook aan dat het feit dat de huidige Egyptenaren zeker donkerder dan hun voorvaderen zijn, geen invloed mag hebben op de juiste raciale situering. Onder invloed van de toen zeer universalistisch gerichte islam vermengden de oude Egyptenaren zich met andere buurvolkeren, wat hen het praktisch makkelijker maakte dan zich te houden aan de eerder uitsluitende en isolationistische wetten van de Egyptische religie. Vandaag benaderen de Koptische christenen in die regio het raciale beeld van de piramidebouwers het meeste. Aangezien zij doorheen de tijden meer traditioneel en teruggetrokken leefden dan hun moslimbroeders (en niet aan oorlogen deelnamen), hebben ze ook aspecten van de oude Egyptische talen in hun rituelen kunnen behouden. Ze wezen interreligieuze huwelijken resoluut af.

Goed gepreserveerde lichamen zijn niet de enige bron van informatie. De auteurs belichten het feit dat de artiesten van het oude Egypte duizenden reliëfs inkerfden, muurschilderingen maakten en evenveel decoratieve objecten produceerden die een zeer accurate visuele beschrijving leveren van de volkeren waarmee ze handelscontacten onderhielden. Van Grieken tot Feniciërs tekenden de Egyptische artiesten zeer accuraat de raciale verschillen der rassen en volkeren, zowel in huidskleur als gezichtskenmerken. Het enige verschil hierin is de weergave van de ogen. Ongeacht het ras van de voorgestelden (die ze als levend model gebruikten), zijn de ogen altijd hetzelfde weergegeven. De reden hiervoor is onbekend.

Dit boek bevat een groot aantal illustraties die de raciale typeweergave in de kunsten bewijzen. Zoals de auteurs zelf benadrukken, waren de Egyptische kunstenaars zó nauwkeurig in hun rassenweergave dat hun werk soms meer weg had van taxonomie dan van kunst: “De oudste bestaande poging om een ethografische kaart samen te stellen is gemaakt in het graf van de Thebaanse prins Rekhm-Ra, een eeuw voor Mozes’ geboorte. Het stelt de Egyptenaren en hun buren voor: de zuidelijk wonende negers met zwarte huid, de olijfkleurige Syriërs, de roodhuidige Egyptenaren en de wit huidige Libiërs (toen nog onvermengd met de Arabieren)…” Wat de meeste mensen nu als onwaarschijnlijk zullen beschouwen, is nogmaals bewezen met dit boek. Het blanke ras is een scheppend ras, zonder enige concurrentie. Uit het boek leren we dat de eerste inwoners van de regio typisch Noord-Europese rassenkenmerken hadden. De auteurs speculeren dat vóór de komst van de huidige Egyptenaren uit Arabië, de Nijl-delta bewoond was door een volk met blauwe ogen en donkerblond haar, zeer identiek aan de Kabielen die nog altijd de bergen van Marokko en Algerije bewonen.

In het Oosten hadden de Egyptenaren ook contact met de Amorieten en Hittieten, die naar alle waarschijnlijkheid ook van Arische afstamming waren. Ze worden dan ook in de Egyptische kunst voorgesteld met hetzelfde lichte haar en blauwe ogen als de Libiërs, Grieken en de inwoners van Klein-Azië. Net zoals zoveel andere volkeren zijn ook de Egyptenaren geregeerd geworden door koningen van meer noordse afkomst dan de gemiddelde inwoner. Raszuiverheid doorheen de eeuwen is een garantie voor succes gebleken. Nefertiti (14e eeuw v.C., gemalin van farao Echnaton), wiens wereldberoemde buste zeer duidelijk een vrouw van Europese herkomst afbeeldt, zou ook van het volk der Hittieten afkomstig zijn. De Filistijnen (oorspronkelijke bewoners van Palestina) die de Israëlieten zo bevochten hebben, zouden afstammelingen zijn van de Spartanen. Snel stampten ze een klein maar machtig koninkrijk uit de grond in Gaza. Egyptische kunstenaars die de veldslagen tussen beide volkeren vastlegden, stellen de Filistijnen steevast voor met een nog lichtere huid dan henzelf. De reus Goliath, die de Jood David doodde met zijn slinger, zou eveneens refereren naar een Europese tegenstander. Analoog aan de Grieks-Europese traditie daagde hij zijn tegenstander uit voor een persoonlijk duel. Zoals dit boek aantoont, beeldden de Egyptische kunstenaars de Israëlieten af als semieten. In het tijdperk van Abraham werden ze nog altijd als nomadische stam voorgesteld en de Egyptenaren van wie ze toelating vroegen zich te vestigen, waren cultureel duidelijk superieur aan hen. Ze hadden een sterke tribale structuur die versterkt werd door de waangedachte dat zij “G-d’s Uitverkoren Volkje” zouden zijn. Ze waren overtuigde racisten en zagen neer op de volkeren temidden van wie ze zich (tijdelijk) vestigden. Hun profeten keurden interreligieuze huwelijken resoluut af.

Zoals de auteurs uitleggen, komen zwarte Afrikanen veelvuldig voor in de oude Egyptische kunst, maar hun rol beperkte zich uitsluitend tot die van gevangene of slaaf. Sesostris I, koning van de 12e dynastie in de 20e eeuw v.C., veroverde delen van Nubië en liet een soort grens optrekken opdat geen enkele neger de lijn kon oversteken, tenzij als slaaf. De Egyptenaren bekeken de kaffers duidelijk als traag, lui en bijgelovig, maar hadden ze graag als slaaf vanwege hun trouw. De auteurs zien hierin één van de redenen waarom de creativiteit in het oude Egypte zo’n 3.000 jaar duurde, terwijl die van het geïslamiseerde Egypte maar een paar eeuwen floreerde. Door rassenvermenging in gemengde huwelijken kwam één van de grootste culturen ten gronde. Alhoewel de negers doorheen duizenden jaren contacten hadden met de Egyptische cultuur, wisten ze er vrijwel niets van te absorberen in hun eigen maatschappijen.

Dit boek zie ik als een wetenschappelijke herbevestiging van Mein Kampf. A. Hitler deelde de verschillende rassen en volkeren in als ‘cultuurscheppers’, ‘cultuurdragers’ en ‘cultuurvernietigers’. Zolang het blanke ras raciale zuiverheid vooropstelt, kent het geen evenwaardige vijand. Culturen gaan ten gronde door rassenvermenging. Van Stonehenge tot de piramiden kan enkel het Arische ras gekarakteriseerd worden als scheppend.

Enig minpunt aan dit boek is dat het een zekere voorkennis van fysionomie en geografie vereist. Dat mag een leek desondanks niet weerhouden het boek aan te schaffen. Eveneens spijtig dat er zo weinig referenties worden opgegeven in een boek met een dergelijke controversiële inhoud.

  • Terug naar artikelen