Socialisme

Door Michael Kühnen, 1982 / 93 JdF

Vanuit de wortel van het woord betekent "sociaal" niets anders dan "gemeenschappelijk". Onder socialisme verstaan wij dus het streven naar gemeenschap – beginnend bij familie, stam, bedrijf en stad, tot aan volks-, cultuur- en rassengemeenschap. Socialisme is de politieke uitdrukking van de oude wijsheid dat het geheel meer is dan de som van de delen. De ideologie van de Verlichting en de daarmee gepaard gaande vereenzelviging en verheerlijking van het individu hebben het zicht op de grote verbanden vertroebeld. We moeten opnieuw leren om holistisch te denken. Hierbij worden we geleid door de overtuiging dat het gehele blanke ras zich in een dringende en gevaarlijke aanpassingscrisis bevindt en voor een lot staat dat alleen gezamenlijk kan worden overwonnen. Anderzijds weten we ook dat op de korte termijn volkeren de grootste gemeenschappen zijn waartegenover de mens nog spontane loyaliteit kan ervaren (het gevoel "daar deel van uit te maken"). De beoogde holistische visie is daarmee vooral een volkse visie.

Een volk is echter een biologisch organisme, gekenmerkt door zijn rassensoort, waaraan gedeelde geschiedenis, cultuur en taal worden toegevoegd. De volkse visie – het streven naar een volksgemeenschap – stelt dus voor het eerst het biologische denken in het centrum van de geestelijk-politieke vormgevingsstrijd van onze tijd en streeft naar een soort- en natuurgetrouwe orde.

Het idee van volkssouvereiniteit is een vrucht van het Verlichtingstijdperk. "Volk" krijgt zijn betekenis in de levensstrijd, niet door het vaststellen van de meerderheidsmening van de op dat moment levende volksgenoten (en al helemaal niet van de staatsburgers!), maar door de bewuste en gewilde inpassing in de machtige levensstroom die reikt van het vroegere handelen van de voorouders tot de levensmogelijkheden van de nog ongeborenen. De wil tot een lotsgemeenschap, die eerbied voor het verleden, het welzijn van de huidige generaties en de toekomstkansen van de komende omvat, vormt een volk tot een natie. Er moet dus worden geëist: de soevereiniteit van de natie; er moet een socialisme worden geëist – een wil tot gemeenschap die gericht is op de natie. Levensjuist socialisme is alleen denkbaar binnen het kader van de natie: een soort- en natuurgetrouwe orde moet de wil tot natie (nationalisme) en de wil tot gemeenschap (socialisme) met elkaar versmelten. Het doel kan alleen zijn: de beveiliging van de levens- en ontplooiingsmogelijkheden van de gemeenschap van ons volk, waartoe wij door onze geboorte lotsverbonden zijn. Er moet een houding worden geëist die van iedere volksgenoot verlangt zo te handelen dat de overlevingskansen en ontwikkelingsmogelijkheden van de menssoort waartoe wij behoren worden bevorderd! Dit is de biologische basis waarop het socialisme zijn eigenlijke betekenis ontplooit, gericht op het leven en welzijn van de natie. Politiek gezien zijn het vijf programmapunten die de verwezenlijking van een ware volksgemeenschap mogelijk moeten maken:

• Afschaffing van het arbeids- en moeiteloze inkomen
• Breking van de renteknechtschap
• Nationalisaties
• Winstdeelneming
• Landhervorming

Afschaffing van het arbeids- en moeiteloze inkomen
Een rechtvaardige orde vereist de afschaffing van alle inkomens die niet voortkomen uit arbeid en prestatie. Dit betekent geen gelijkmakerij: het is een biologisch feit dat mensen niet gelijk zijn – geforceerde gelijkheid van ongelijken kan daarom geen rechtvaardigheid zijn. Dat is dus niet wat bedoeld wordt. Afhankelijk van de inzet, prestatie en arbeid van het individu voor de gemeenschap op zijn plaats en naar zijn vermogens, moet hij ook verschillend worden beloond. Het natuurlijke streven naar eigendom, aanzien en erkenning van prestaties die boven die van anderen uitsteken, mag niet worden onderdrukt, maar moet in dienst worden gesteld van de economische ontplooiing van ons gemeenschapsleven. Hierbij is het zinvol om een ondergrens vast te stellen die niet mag worden onderschreden en een bovengrens die niet mag worden overschreden. Het verschil tussen onder- en bovengrens moet klein genoeg zijn om sociale lagen te creëren, maar geen klassen, en groot genoeg om een prikkel te bieden voor verhoogde arbeidsinspanning in dienst van de gemeenschap. Uiteraard vervallen alle inkomens die niet door voorafgaande arbeid en prestatie zijn verkregen (zoals erfenissen, huuropbrengsten, pacht en meer).

Breking van de renteknechtschap
De belangrijkste stap naar de afschaffing van arbeids- en moeiteloze inkomens is echter de breking van de renteknechtschap. Er moet eindelijk een einde komen aan de perversiteit dat niet alleen de mens, maar ook het geld "werkt", wat in extreme gevallen leidt tot een situatie waarin mensen met voldoende geld in plaats van zelf te werken, het geld voor hen laten "werken" (via kredieten, rente, speculatiewinsten, beursmanipulaties enzovoort). De breking van de renteknechtschap vereist een volledige herinrichting van het economische en monetaire systeem. Hierbij mag niet worden miskend dat, vanwege internationale verwevenheden en om redenen van externe veiligheid en interne stabiliteit, deze veranderingen slechts geleidelijk kunnen worden doorgevoerd. De eerste en onmisbare stap is echter de nationalisatie van alle banken, verzekeringsmaatschappijen en andere instellingen die invloed hebben op de nationale munt. De verantwoordelijkheid voor alle monetaire kwesties moet uitsluitend bij de staat liggen.

Nationalisatie
De opbouw van een socialistische volksgemeenschap kan alleen stapsgewijs plaatsvinden, met inachtneming van de buiten- en binnenpolitieke situatie. De leidraad voor nationalisatiemaatregelen moet zijn:

Niet nationaliseren wat men kán nationaliseren, maar wat men moet nationaliseren!

Zoals eerder vermeld, omvat dit in de eerste plaats alle banken, verzekeringsmaatschappijen en soortgelijke financiële ondernemingen. Uiteraard omvat dit ook de nationalisatie van alle reeds gesocialiseerde trusts en ondernemingen, omdat hun anonieme eigendomsverhoudingen en verwevenheden een bedreiging kunnen vormen voor de nationale onafhankelijkheid en de interne orde. Daarnaast moet worden gedacht aan de nationalisatie van bepaalde sleutelindustrieën en grote bedrijven boven een bepaalde grootte (die vaak al gesocialiseerde ondernemingen met anonieme eigendomsverhoudingen zijn). Bij bedrijven in duidelijk privébezit moet in eerste instantie worden afgezien van nationalisatie. In plaats daarvan moet door algemene wettelijke regelingen worden verzekerd dat de beschikking over alle productiemiddelen wordt overgedragen aan staatelijke commissarissen wanneer de activiteiten van bedrijven in strijd zijn met het algemeen belang.

In principe worden kleine en middelgrote bedrijven, ambachtelijke ondernemingen, vrije beroepen en boerenbedrijven niet genationaliseerd. Deze genieten juist de bescherming van de volksgemeenschap. Niet eigendom als zodanig is slecht, maar eigendom dat zonder eigen prestatie is verkregen of dat zonder maatschappelijke controle tegen het algemeen belang in kan werken!

Onteigening vindt plaats onder vergoeding op basis van een passende, statelijke lijfrente of door middel van eenmalige afkoopsommen. Het nadere wordt wettelijk geregeld. De genationaliseerde ondernemingen (behalve de financiële) worden daarna meestal omgevormd tot aandeelgemeenschappen en dus opnieuw gesocialiseerd. Alle werkenden zijn naar beroepsstanden (corporaties) verenigd in een gemeenschappelijke organisatie, die de plaats inneemt van alle vakbonden, ondernemersverenigingen en standsorganisaties. Het ontstane arbeidsfront neemt de helft van de aandelen van gesocialiseerde ondernemingen over en leidt de gegenereerde winsten af voor gemeenschapsdoelen. Afhankelijk van de mate van socialisatie kan de belasting in dezelfde mate worden afgebouwd of zelfs worden afgeschaft. De andere helft van de aandelen gaat naar de betreffende bedrijfsgemeenschap. Aan het hoofd van gesocialiseerde ondernemingen staan economische leiders, gezamenlijk benoemd door het arbeidsfront en de bedrijfsgemeenschap. Gemeenschapsgerichte en daardoor min of meer verlieslijdende bedrijven worden niet gesocialiseerd, maar blijven als dienstverlenende bedrijven in direct staatsbezit.

Winstdeelneming
De arbeiders van gesocialiseerde ondernemingen zijn, als leden van de betreffende bedrijfsgemeenschap, naar rato betrokken bij het bezit en de winst. Dit ontwikkelt een gezond gevoel van verbondenheid met en eigenbelang in het bedrijf. Deze worden drijfveren voor de economische ontplooiing van het gemeenschapsleven. De aandelen zijn onvervreemdbaar om hernieuwde kapitaalconcentratie te voorkomen. Bij privé- en staatsbedrijven moeten voor de daar werkenden wettelijke compensatiemogelijkheden worden gecreëerd. Het medezeggenschaps- en medeverantwoordelijkheidsrecht van ondernemingsraden moet in alle bedrijven worden versterkt. Via ondernemingsraden en corporaties (beroepsstanden) vindt de uitvoering, controle en coördinatie van de staatelijke kaderplanning van de economie plaats. Ook hier geldt:

Niet plannen wat gepland kán worden, maar wat gepland moet worden!

Onnodige regulering van de economie moet worden vermeden – maar ook een chaotische wildgroei die het voortbestaan van onze menssoort bedreigt. Ondernemingsraden worden samengesteld op basis van een derdepariteit: bij particuliere bedrijven een derde ondernemersvertegenwoordigers, een derde werknemers en een derde arbeidsfront; bij gesocialiseerde en genationaliseerde bedrijven een derde staat, een derde arbeidsfront en een derde werknemers.

Landhervorming
Het bezit van grond van welke aard dan ook is onderworpen aan bijzondere maatstaven, omdat grond niet vermeerderbaar is. Net als elke vorm van arbeids- en moeiteloos inkomen moeten alle grondspekulaties worden voorkomen en door een doelgerichte landhervorming gezonde eigendomsverhoudingen worden gecreëerd. Hierbij moet in de eerste plaats aan de landbouw worden gedacht. Afgezien van de landbouw, die onderworpen is aan bijzondere wetten, geldt als principe:

Niemand mag meer dan één grondstuk bezitten, en dit mag een bepaalde grootte niet overschrijden.

Er moet worden gewerkt aan de vorming van grondeigendom binnen deze grenzen. Iedere arbeider moet in staat zijn een eigen grondstuk te bezitten, of als hij in de stad woont, in staat zijn een woning te bezitten. Waar woonruimte niet in eigendom is van de gebruiker, moet de staat optreden als verhuurder. In een latere, volledig gesocialiseerde volksgemeenschap moet worden overwogen om eigendomsrechten op grond te vervangen door gebruiksrechten. Landbouwkundig bezit blijft echter altijd en principieel privé- en familiebezit.

Samengevat is de socialistische volksgemeenschap een gedeeltelijk private, gedeeltelijk gesocialiseerde en gedeeltelijk genationaliseerde planeconomie, die meer waarde en aandacht hecht aan de beschikking over productiemiddelen dan aan het bezit ervan. Deze beschikking wordt gehanteerd volgens de eisen van het algemeen belang. Staatelijk dirigisme moet worden vermeden – in plaats van gedetailleerde plannen worden kaderrichtlijnen uitgewerkt. Het principe is behoeftebevrediging in plaats van kunstmatige behoefteopwekking. Het grote kader wordt afgebakend door de biologisch en ethisch gedefinieerde doelstelling van de socialistische volksgemeenschap. De opbouw vindt stapsgewijs plaats op basis van een holistisch denken dat zich niet onderwerpt aan dogma’s, maar in overeenstemming is met levenswetten en innerlijke en uiterlijke levensnoodzakelijkheden. De verwezenlijking van een ware volksgemeenschap veronderstelt het bezit van de macht. Dit betekent echter niet dat we de handen in de schoot moeten leggen en op een wonder moeten wachten. De opbouw van het socialisme kan en zal zich namelijk stapsgewijs voltrekken!

In een ziek systeem gaat het erom gezonde gemeenschappen te creëren die, op basis van gemeenschapsgericht en holistisch denken en handelen, kunnen bijdragen aan een geleidelijke genezing, als het ware een volksgemeenschap van onderop opbouwen! Zo wordt elke gezonde familie, elke goede familie- en bedrijfsgemeenschap, elke goed geleide gemeente, stad en regio een kiemcel van de nieuwe orde, een voorfase van de socialistische volksgemeenschap. Dit geldt vooral voor alle politieke organisaties die strijden voor de verwezenlijking en uitwerking van een soort- en natuurgetrouwe orde. Hierbij denk ik aan de werkgemeenschappen die zich bezighouden met de geestelijke grondslagen van de nieuwe orde, met het uitwerken van principes en leidende gedachten op alle niveaus. En ik denk aan de levens- en strijdgemeenschappen van die jonge revolutionairen die zich voelen als politieke soldaten van een komende nationaal- en sociaalrevolutionaire levensorde. In hun gelederen is het socialisme al werkelijkheid. Net als alle gezonde gemeenschappen van ons volk worden zij bouwstenen op de weg van een zieke maatschappij naar een gezonde gemeenschap – naar een nationaal volkssocialisme!



  • Terug naar artikelen