Punt 19: Het Germaanse recht
Zoals het Nederlandse socialisme de vrijheid van de volkseconomie bevecht, zo verwezenlijkt het Nederlandse recht de vrijheid van de volkse rechtspraak. Het Germaans recht moet de Nederlandse volksgemeenschap dienen en vrij zijn van alle internationale, volksvreemde of zelfs volksvijandige invloeden. Het staat onder het nationaalsocialistische motto: ‘Recht is wat het Nederlandse volk dient!’
Daarentegen dient het huidige Romeinse recht de materialistische wereldorde, oftewel de heersende minuswereld:
• Het is internationaal: zoals de naam al aangeeft, vindt het Romeinse recht zijn oorsprong in de rechtspraak van het Romeinse Rijk en regelde het van meet af aan de verhouding van het individu tot de staat en tot andere mensen, zonder rekening te houden met verschillen in ras of volk. Het neemt geen acht op het uiteenlopende rechtsgevoel van verschillende volkeren en is daardoor in wezen een bezettingsrecht geweest en gebleven.
• Het is materialistisch: doordat het Romeinse recht het volkse rechtsgevoel als bron van rechtspraak uitsluit, heeft het geen doelstelling ontwikkeld die gericht is op het behoud of de ontplooiing van volkeren. Het beschermt niet het leven en de ontwikkeling van een volkstum, maar dient uiteindelijk elke bestaande orde. Het mist een idealistische drijfveer en is daardoor ongeschikt om de rechtsorde van een idealistisch geïnspireerde, natuurlijke en soortgebonden nieuwe orde vorm te geven. Het zal samen met de materialistische wereldorde worden overwonnen en vervangen door het Nederlandse recht.
• Het is dogmatisch: het Romeinse recht gaat niet uit van het echte leven in al zijn diversiteit en streeft er niet naar het individu werkelijk recht te doen. Recht en rechtvaardigheid zijn in het Romeinse recht niet met elkaar in overeenstemming te brengen. Het construeert een zeer abstracte, juridische kunstwereld vol met feitencomplexen. Deze feitencomplexen zijn zo precies geformuleerd dat ze strafbaar gedrag kunnen omvatten, maar daardoor ook zo complex dat slimme juristen door allerlei interpretaties vrijwel elk gewenst resultaat kunnen bereiken.
Hierdoor wordt rechtspraak een loterij of iets wat te koop is voor wie de behendigere jurist aan zijn kant heeft. Maar vooral: zelfs met de beste wil kan een abstract geformuleerd feitencomplex nooit de veelzijdigheid van het leven rechtvaardig weerspiegelen. De verzameling van feitencomplexen vormt dan al helemaal geen afspiegeling van de werkelijkheid, maar een dogma – een in wezen willekeurige vaststelling die de levensrealiteit wil onderwerpen aan levenloze constructies. Om al deze redenen kan het Romeinse recht niets anders voortbrengen dan rechtspraak, maar het mist het eigenlijke doel van recht: rechtvaardigheid te bewerkstelligen.
In contrast hiermee is het Nederlandse recht een volksgetrouw, idealistisch en natuurlijk recht. Het maakt een volkse rechtspraak mogelijk die nationale vrijheid naar buiten en rechtvaardigheid naar binnen waarborgt. Het put rechtstreeks uit het rechtsgevoel van het Nederlandse volk en dient het behoud en de ontplooiing van dat volk. Het construeert geen abstracte feitencomplexen om te bepalen of een concrete daad daaronder valt – in plaats daarvan stelt het als praktische regel: strafbaar is wat de volksgemeenschap als geheel of een andere volksgenoot schaadt. Strafbaar gedrag wordt bestraft. De aard en hoogte van de straf vloeien niet abstract voort uit een geconstrueerd feitencomplex, maar concreet uit de ernst van de daad en de persoonlijkheid van de dader.
Een nieuwe rechtsorde, gebaseerd op deze principes, zal alleen nog zeer algemene voorbeelden van strafbaar gedrag en voorbeelden van rechtvaardige straftoemeting geven. Al het overige wordt overgelaten aan de rechtbanken. Deze baseren hun oordeel op eerdere uitspraken in vergelijkbare zaken die als rechtvaardig werden ervaren en die een richtlijn kunnen bieden, maar niet hoeven te zijn. Uiteindelijk is het rechtsgevoel van het volk doorslaggevend, zodat de formule ‘in naam van het volk’ haar betekenis hervindt. Om dit rechtsgevoel kracht bij te zetten, worden kantonrechters voortaan gekozen via vrije volksverkiezingen uit kandidaten die met succes een basiscursus rechtspraak hebben afgerond. Regelmatige herverkiezingen zorgen voor controle door het volk. In de eerstvolgende hogere instantie wordt de rightspraak toevertrouwd aan jury’s. Deze worden bij rechtbanken die bevoegd zijn voor misdaden tegen andere volksgenoten gekozen via vrije volksverkiezingen, en bij rechtbanken die oordelen over misdaden tegen de volksgemeenschap aangewezen door de beweging. Zij beslissen alleen over de schuldvraag en de strafmaat.
Toch worden beroepsrechters niet overbodig – integendeel. De nationaalsocialistische volksstaat heeft behoefte aan hooggekwalificeerde en gedreven rechterlijke persoonlijkheden. Zij moeten doordrongen zijn van de geest van de nieuwe rechtsorde, de hele rechtspraak bestuderen en bekend zijn met uitspraken in vergelijkbare zaken. Zij adviseren de jury’s zorgvuldig en met verantwoordelijkheidsgevoel vóór hun beslissing. Net als de aanklager en de verdediging hebben zij het recht om een hogere instantie in te schakelen als zij een uitspraak als onrechtvaardig beschouwen. De hoogste rechtsinstanties boven de juryrechtbanken zijn het centraal parlement en uiteindelijk de Leider of Führer, als opperste rechter en belichaming van de georganiseerde volkswil.
Zo houdt de rechtspraak op een levenloos dogma te zijn dat de mens belast en een doel op zichzelf wordt. Het Nederlandse recht en zijn rechtspraak zien justitie weer als een integraal deel van het volksleven, dat het leven en de ontplooiing van het volk dient, rechtvaardigheid brengt aan elke volksgenoot en hem zijn recht garandeert. Alleen op rechtvaardigheid kan een ware volksgemeenschap worden gebouwd, alleen het rechtsgevoel van een volk is de bron van rechtvaardigheid, en recht en rechtspraak moeten daarvan de zichtbare uitdrukking worden!