Punt 9: Rechten en plichten van de volksgenoot

“Alle staatsburgers moeten gelijke rechten en plichten hebben.”

In de nationaalsocialistische volksstaat van de toekomst kunnen alleen volksgenoten staatsburgers zijn, en de staat dient uitsluitend de levensbelangen en de ontwikkeling van de Nederlandse volkse identiteit. Bij de vraag naar de rechten en plichten van de staatsburger gaat het nationaalsocialisme dan ook niet om een mechanische verhouding tussen de staatsburger en zijn staat. In liberaal-kapitalistische staten, bijvoorbeeld, wordt de nadruk zo sterk gelegd op de rechten van het individu dat er geen ruimte overblijft voor plichten jegens de gemeenschap. Tegelijkertijd vormen materiële rijkdom en het najagen daarvan de enige maatstaf voor het leven van de staatsburger, wat leidt tot de ontbinding van alle natuurlijke en idealistische waarden en denkbeelden. Dit creëert een makkelijk manipuleerbare massa van consumentisten, nepmensen en geldbeluste robots, die als was in de handen zijn van manipulerende krachten achter de schermen.

Maar ook communistische staten kennen in de praktijk vrijwel alleen plichten voor de staatsburger. Omdat het marxisme een natuurvijandige ideologie is, kan het op de lange termijn alleen overleven door middel van een terroristische dictatuur, die niet gericht is op de vorming van persoonlijkheden bij haar staatsburgers, maar op de ‘menselijke mier’ – een onderdanige dwangarbeider. In beide gevallen is de relatie van de staatsburger tot zijn staat puur mechanisch en diep onnatuurlijk, omdat de staat en de rechten en plichten van zijn burgers geen enkele band hebben met hun natuurlijke volkse identiteit. Hierdoor staat de staatsburger uiteindelijk vreemd en los van zo’n staat – er ontstaat vervreemding tussen staat en volkse identiteit.

Deze vervreemding overwint de nationaalsocialistische volksstaat, waardoor het machtsorganisme van de staat verandert in een vertrouwde en vertrouwenwekkende thuisbasis voor de volksgenoot. In deze thuisbasis heeft elke volksgenoot als staatsburger gelijke rechten en plichten, waarbij elk recht ook een plicht inhoudt. Onze staat eist immers niet louter mechanische volgzaamheid van zijn burgers en legt hen daarom niet enkel plichten op zonder aan rechten te denken. Evenmin is deze staat voor zijn burgers slechts een mechanisch ordeningsapparaat waarvan men zoveel mogelijk wil profiteren en zo min mogelijk last wil ondervinden, waarbij het individu alleen zijn rechten uitoefent zonder plichten op zich te nemen. Beide houdingen kenmerken de vervreemding tussen staat en staatsburger die overwonnen moet worden, en in de nationaalsocialistische volksstaat ook daadwerkelijk wordt opgeheven.

Het nationaalsocialisme gaat, in lijn met zijn biologische wereldbeeld, uit van de diversiteit van mensen. Naast de strijd om het bestaan en de selectie van de meest levensvatbaren behoort de erkenning van diversiteit en veelzijdigheid in het leven – niet alleen in de natuur in het algemeen, maar ook binnen de menselijke soort – tot de grondwetten van de natuurlijke en soortgebonden levensvisie van onze beweging. Wij bevestigen en willen deze veelzijdigheid van het leven uitdrukkelijk behouden. Geen twee mensen zijn gelijk, en er is geen dommere leus dan die van de gelijkheid van mensen. Binnen elk volkskorps zijn er bovendien raszuivere en ras mindere mensen, naast de brede massa die zich richt op het mensentype dat in het volksleven de toon aangeeft. Een gezonde volksgemeenschap scheidt daarom minderwaardig menselijk materiaal uit en laat zich leiden door een volkse elite. De omwenteling na 1945 bracht echter een omkering teweeg, waarbij een onderlaag van bonzen, parasieten, volksvijandige elementen, asocialen en misdadigers naar boven kwam. Dat is ook hoe de leidende klasse van de Amerikaanse kolonie die zichzelf het Nederlandse koninkrijk noemt er doorgaans uitziet.

Daarentegen eisen wij gelijke rechten en plichten voor alle staatsburgers. Hoewel volksgenoten nog zo verschillend zijn, bezitten zij als dragers van een gemeenschappelijk erfgoed en als leden van de biologische gemeenschap van hun volk van nature gelijke rechten en plichten jegens dat volk. Als Nederlanders delen zij, ondanks al hun individuele uniciteit, een gemeenschappelijke en gelijke biologische natuur, die hen onderscheidt van alle andere volkeren en als blanken van alle andere rassen. Uit deze biologische verbondenheid vloeien de gelijke rechten en plichten voort. Deze omvatten in de eerste plaats:

1. Het recht op arbeid en de plicht om te werken voor de volksgemeenschap.
2. Het recht op vrije partnerkeuze en gezinsvorming, en de plicht om de zuiverheid van het Nederlandse volkskorps te bewaren, in lijn met eugenetische en rassenwetten.
3. Het recht en de vrijheid om de eigen persoonlijkheid te verwezenlijken, en de plicht om deze vrijheid te koppelen aan het behoud en de ontplooiing van volk en ras, totdat de volksgenoten, zoals de Führer het verwoordde, zijn uitgegroeid tot ‘de hoogste belichaming van de waarde van ras en persoonlijkheid’.

Bij het verwezenlijken van deze en alle daaruit af te leiden rechten en plichten zal de natuurlijke gelaagdheid van ons volkskorps zich herstellen. In plaats van het uitschot dat uit de volksgemeenschap verwijderd dient te worden, zal opnieuw een volkse elite het voorbeeld worden.



Punt 10: Recht op arbeid, plicht tot arbeid. Lees meer